Milieuloket:
Biomassa en biobrandstof
Submenu:
Nieuws-items bij Biomassa en biobrandstof
-
24-02Productie duurzame elektriciteit stijgt
-
18-02Bio-energie niet altijd goed voor het milieu
-
03-09-2009Cramer: 'Nederland is nog te snel tevreden met een zesje voor duurzaamheid'
-
21-08-2009Groei verbruik duurzame energie in Nederland
-
03-04-2009Biobrandstof levert straks miljarden op
-
10-11-2008Nederlands klimaatbeleid lijkt gunstig effect te hebben op luchtkwaliteit
-
16-09-2008Prinsjesdag 2008: nadruk op duurzaamheid en waterveiligheid
-
04-09-2008Daling broeikasgassen zet door
-
19-05-2008Kabinet wil meer aandacht voor duurzame ontwikkeling
-
07-05-2008Verdeelde meningen over gevaren biobrandstoffen
Biomassa en biobrandstof - Hoofdinhoud
Veel mensen denken bij duurzame energie aan windmolens en zonnepanelen. Momenteel is de belangrijkste bron van duurzame energie in Nederland echter biomassa, waaruit bio-energie wordt gewonnen. Biomassa is een verzamelterm voor hout en afval. Zowel hout als afval kan worden verbrand, waarbij energie vrijkomt. Verder kan men door afval te vergisten gassen verzamelen waarbij energie wordt opgewekt.
Omdat bij het verbranden van biomassa schadelijke stoffen vrijkomen, beschouwen sommigen deze vorm van energieopwekking niet als duurzaam. Energiebedrijven maken dan ook onderscheid tussen 'groene stroom' (energie uit onder meer biomassa) en 'natuurstroom' (energie uit zon en wind).
Een speciale en snel in omvang groeiende toepassing van biomassa is biobrandstof. In Europees kader is afgesproken dat voor 2010 alle benzine moet worden bijgemengd met minimaal 5,75 procent biobrandstof (vanaf 2005 is dat minimaal 2 procent). Belangrijke grondstoffen voor biobrandstof zijn olierijke gewassen als koolzaad, of suikerrijke gewassen die worden omgezet naar ethanol.
Hout
Sommige bomen en struiken worden speciaal geteeld voor energiedoeleinden (energieteelt), zoals wilgen, populieren, hennep en miscanthus (olifantsgras). Andere energiebronnen op basis van hout bestaan uit snoeiafval afkomstig uit plantsoenen en bossen; en rest- en afvalhout uit de industrie (bijvoorbeeld uit houtzagerijen). Dit hout wordt vervolgens gedroogd, omdat anders verzurende stoffen als NOx en SO2 vrijkomen. Het droge hout wordt verbrand, waarbij energie vrijkomt.
De verbranding van hout voor energiewinning vindt voornamelijk plaats in huishoudens, de hout- en meubelindustrie, papier-industrie en in elektriciteitscentrales. Het stoken van hout is duurzaam als men ervoor zorgt dat het gekapte hout ook voldoende bijgeplant wordt, zodat een voortdurende vernieuwing van de houtvoorraad plaatsvindt. Het bijstoken van hout in energiecentrales werd voor het eerst toegepast in 1996 en groeit momenteel sterk.
Verbranden van afval
Wat men ook biomassa mag noemen is het biologisch afbreekbare afval van huishoudens, bedrijven en uit industriële processen. Voorbeelden zijn gft (groente, fruit en tuinafval), hout (zie boven), mest, slib, en organische (plant- of dierlijke) overblijfselen uit de voedingsmiddelenindustrie.
Een deel van het ingezamelde huishoudelijke en bedrijfsafval wordt verbrand in afvalverbrandingsinstallaties. Hierin wordt afval omgezet in elektriciteit of warmte, terwijl krachtige filters ervoor zorgen dat gevaarlijke stoffen de verbrandingsinstallatie niet verlaten. De vrijgekomen elektriciteit wordt geleverd aan het elektriciteitsnet. De geproduceerde warmte wordt gebruikt voor stadsverwarming, kassenverwarming in de glastuinbouw of voor droogprocessen, zoals het drogen van slib.
Vergisten van afval of mest
Afval zorgt niet alleen voor energie door het te verbranden, maar ook door het te laten rotten. Tijdens het rottingsproces, dat men anaërobe vergisting noemt, komt een combinatie van een aantal gassen vrij: fermentatiegas. Het belangrijkste bestanddeel van fermentatiegas is methaan, dat uiterst brandbaar is. Fermentatiegas kan dusdanig worden bewerkt dat het toegevoegd wordt aan het aardgasnet. Ook wordt fermentatiegas voor een deel ingezet in warmtekrachtinstallaties. Bij vergisting komen vaak minder schadelijke stoffen in de lucht dan bij verbranding.
De belangrijkste afvalstoffen die via vergisting zorgen voor het vrijkomen van gassen zijn groente-, fruit- en tuinafval (gft); agrarische reststoffen, zoals stro en mest; en diverse soorten slib (zuiveringsslib van waterzuiveringen, papierslib).
Bij de verbranding van biomassa komt CO2 vrij, net als bij de verbranding van fossiele brandstoffen. Toch draagt de verbranding van biomassa per saldo niet bij aan het broeikaseffect: biomassa is "CO2-neutraal". Dit komt doordat de grondstoffen van biomassa, planten en bomen, gedurende heel hun levensduur CO2 uit de lucht opnemen om te groeien. Als bij verbranding van de dode planten en bomen weer CO2 in de atmosfeer komt, is het gehalte CO2 in de atmosfeer per saldo gelijk gebleven.
Een snel groeiende toepassing van biomassa is de productie van brandstof. In Europa zijn twee typen biobrandstof van belang:
-
-koolzaadolie, dat met reguliere diesel wordt gemengd tot zogenaamde 'biodiesel'
-
-ethanol, een vloeistof die wordt geproduceerd door een bacterieel procédé op suikerrijke gewassen als granen en suikerriet
Momenteel zitten veel technieken nog in de ontwikkelingsfase en is de bijdrage in het hedendaagse gebruik nog beperkt. Wel moet daarvoor de ontwikkeling doorzetten, want ondanks de grote voordelen bestaan er ook een aantal problemen met de productie van biodiesel. Zo produceren sommige soorten biodiesel bij verbranding ongeveer 10 tot 20 procent meer giftige stikstofoxiden dan diesel uit fossiele brandstoffen.
Stimuleringsbeleid
Grote Europese landen als Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk stimuleren al enkele jaren actief de teelt van koolzaad om zo méér biobrandstoffen te kunnen aanbieden bij tankstations. In Nederland is in 2003 voor het eerst begonnen met kleinschalige experimenten. De voorgenomen bouw van een biodieselfabriek in Arnhem werd in 2003 afgeblazen, maar in juli 2005 opende minister Cees Veerman de eerste Nederlandse koolzaadmolen in Delfzijl.
De Nederlandse overheid voert een actief stimuleringsbeleid voor de teelt van koolzaad. Zo kunnen agrariërs aanspraak maken op accijnsvrijstellingen bij het verbouwen van dit olierijke gewas. In de aanloop naar prinsjesdag 2005 maakte de regering bekend dat biobrandstoffen aan de pomp niet belast zullen worden. Voor de automobilist zal het prijsvoordeel beperkt blijven, omdat de reguliere brandstoffen voorlopig maar met ongeveer 2 procent biobrandstof worden bijgemengd.

Bezwaren milieubeweging
De Nederlandse milieubeweging is niet onverdeeld positief over de hoge vlucht die de koolzaadteelt neemt. Volgens de Stichting Natuur en Milieu (SNM) bestaat er goede en slechte soorten biobrandstof. Zo vergt de teelt van koolzaad in Frankrijk en Duitsland veel kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Bovendien is er veel energie nodig in het productieproces, wat de geboekte milieuwinst teniet doet gaan. Koolzaad heeft verder als belangrijk nadeel dat het veel ruimte vraagt. Om één auto een jaar te laten rijden is een voetbalveld met koolzaad nodig.
Volgens Natuur en Milieu moet er een keus gemaakt worden voor biobrandstoffen die veel meer kunnen bijdragen aan het milieu. De organisatie noemt onder meer:
-
-ethanol uit reststoffen uit de agrarische industrie,
-
-biodiesel uit oud frituurvet,
-
-ethanol met schimmels geproduceerd uit houtige biomassa (bermgras, snoeiafval, vezelhennep, olifantsgras, afval van pindadoppen en duurzaam geproduceerd hout).
Initiatieven