Milieuloket:
Emissiehandel
Submenu:
Nieuws-items bij Emissiehandel
-
23-07Economen kritisch over nieuwe emissiehandel
-
14-07Commissie blij met instemming EP-milieucommissie over nieuwe systeem emissiehandel (en)
-
20-05Industrie misbruikte Europees systeem voor emissiehandel
-
03-05Arrestaties in Groot-Brittanië en Duitsland voor fraude van CO2-emissie handelaren (en)
-
01-04Uitstoot CO2 in EU lager door economische crisis
-
02-03Europees Hof verwerpt klacht tegen emissiehandel
-
04-02Brussel onderneemt actie na cyberaanval op emissiehandelssysteem
-
11-01Aanhouding voor CO2-fraude
-
30-10-2009Uitstoot broeikasgassen transport sterk toegenomen
-
23-09-2009Ingreep EU in emissierechtenplannen vernietigd
Emissiehandel - Hoofdinhoud
Bij veel grote fabrieken en energiebedrijven komen broeikasgassen, zoals CO2, uit de schoorsteen. Die gassen zijn mede oorzaak van de klimaatverandering. De overheid kan bepalen dat bedrijven maximaal een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen mogen uitstoten. Het recht om broeikasgassen uit te stoten wordt een emissierecht genoemd. Voor deze rechten moet in principe worden betaald; dit wordt 'het veilen van emissierechten ' genoemd. Het is daarnaast voor vervuilers mogelijk emissierechten onderling te verhandelen. Bedrijven die te veel broeikasgassen uitstoten riskeren namelijk een boete. Om deze boete te voorkomen kunnen zij emissierechten kopen van bedrijven die meer rechten hebben gekocht dan zij nodig hebben.
Emissiehandel wordt gezien als een belangrijk instrument in de strijd tegen de opwarming van de aarde. Om de invloed van de mens op de klimaatverandering te beperken, is het nodig de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Om dat te bereiken zullen met name grote energiebedrijven en grote industriële complexen de uitstoot van deze gassen moeten beperken. Door middel van emissiehandel krijgen bedrijven een financiële prikkel om hun uitstoot te beperken. Daarnaast wordt het totaal aantal emissierechten geleidelijk aan verminderd om de totale uitstoot tegen te gaan.
Inhoudsopgave van deze pagina:
Onderhandelingen in de jaren '90 over het beperken van broeikasversterkende gassen leidden in 1997 tot een Protocol op de VN-klimaatconferentie van Kyoto. In dit Kyoto-Protocol verplichten de geïndustrialiseerde landen zich de uitstoot van broeikasgassen in 2010 met 5 procent te verminderen ten opzichte van 1990. In oktober 2004 hadden meer dan 55 landen het Protocol geratificeerd waardoor het rechtsgeldig werd. De Verenigde Staten en Australië doen echter niet mee.
In het Kyoto-Protocol zijn een aantal instrumenten opgenomen om de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. De drie belangrijkste instrumenten zijn hieronder kort beschreven.
Emissiehandel
Emissiehandel is een methode waarmee deelnemers aan het Kyoto-protocol rechten om CO2 uit te stoten kunnen verhandelen. Bij emissiehandel worden " Assigned Amount Units " (AAU's) en " Removal Units " (RMU's) verhandeld. Daarnaast kunnen de ERU- en CER-certificaten die zijn verdiend bij Joint Implementation Projects en het Clean Development Mechanism worden verhandeld als emissierechten. De weging en verhandeling van AAU's, RMU's, CER's en ERU's zijn elk gebonden aan regels en verdeelsleutels die zijn vastgesteld in Artikel 3 van het Kyoto-protocol. Deze wegingen zijn aangescherpt tijdens de klimaatconferenties van Marrakesh (november 2001) en Delhi (oktober 2002).
Clean Development Mechanism (CDM)
Met dit mechanisme uit het Kyoto-protocol worden ontwikkelingslanden geholpen met het opzetten van duurzame energieprojecten en duurzame bosbouw. De uitstootvermindering van broeikasgassen die hiermee gerealiseerd wordt, kunnen geïndustrialiseerde landen verrekenen met hun eigen binnenlandse verplichtingen voor broeikasvermindering. Dit is een aantrekkelijke manier van investeren omdat het realiseren van uitstootvermindering in ontwikkelingslanden vaak aanzienlijk goedkoper is dan in Nederland. Voorwaarde is wel dat de projecten in het buitenland die zijn uitgevoerd in het kader van CDM, anders niet tot stand gekomen waren.
De Nederlandse overheid financiert in het kader van CDM projecten waarmee schone energiebronnen worden ontwikkeld in onder andere Panama, Colombia, Costa Rica, Guatemala, El Salvador, Indonesië en Uruguay. Voor deze inspanningen krijgt Nederland "Certified Emission Reductions" (CER's). Dit zijn certificaten waarmee Nederland voor de aangegeven hoeveelheid ontslagen wordt van de verplichting om de uitstoot in eigen land te verminderen.
Joint Implementation Projects (JI)
Dit is een instrument uit het Kyoto-Protocol dat het mogelijk maakt om uitstootvermindering van broeikasgassen te realiseren in andere geïndustrialiseerde landen. In het kader van JI financieren geïndustrialiseerde landen projecten in andere geïndustrialiseerde landen voor het realiseren van uitstootvermindering.
De gerealiseerde uitstootvermindering in het buitenland draagt bij aan de doelstelling voor uitstootvermindering van het investerende land. Deze uitstootvermindering hoeft dus niet meer in eigen land gerealiseerd te worden.
Nederland financiert diverse projecten in voornamelijk Oost-Europese landen. Daar kan de uitstoot van broeikasgassen vaak goedkoper worden verminderd dan in eigen land. Nederland financiert (met subsidies van het ministerie van Economische Zaken) JI-projecten in Centraal- en Oost-Europa, zoals in Bulgarije, Roemenië, Hongarije, Slowakije, Estland en Kroatië. In deze landen kan snel veel resultaat behaald worden met eenvoudige en goedkope maatregelen. Daarnaast lopen er ook Nederlandse JI-projecten in Nieuw-Zeeland. De projecten zijn gericht op het verbeteren van de energie-efficiency van elektriciteitscentrales en stadsverwarmingsinstallaties, de productie van duurzame energie, afvalverwerking, biomassa en herbebossing.
Voor de gerealiseerde reducties krijgt Nederland "Emission Reduction Units"(ERU's). ERU's zijn net als CER's certificaten waarmee Nederland ontslagen wordt van de verplichting om de uitstoot in Nederland zelf te verminderen.
Klimaatverandering wordt veroorzaakt door de uitstoot van broeikasgassen, vooral kooldioxide (CO2). Sommige broeikasgassen dragen veel meer bij aan de klimaatveranderingen dan andere. Om ze te kunnen vergelijken, worden alle broeikasgassen 'teruggerekend' naar kooldioxide. De teruggerekende hoeveelheid CO2-uitstoot wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten. Op die manier kan een uitstootvermindering van het ene gas worden vergeleken met het andere. Een ton methaan is bijvoorbeeld 21 keer zo schadelijk als een ton kooldioxide en zwavelhexafluoride (SF6) is maar liefst 23.900 keer zo schadelijk. Voor de markt in broeikasgassen wil dit zeggen dat het verminderen van een ton kooldioxide-uitstoot een reductie van een ton CO2-equivalenten oplevert, terwijl het verminderen van een ton methaan of zwavelhexafluoride respectievelijk 21 en 23.900 CO2-equivalenten opleveren.
De emissiehandel richt zich met name op grote industriële ondernemingen en energiebedrijven. Nationale overheden leggen per sector emissieplafonds (zogenaamde " caps ") voor de uitstoot van broeikasgassen vast. Als de bedrijven hun maximum dreigen te overschrijden, kunnen zij op de markt broeikasgas-kredieten kopen (de hierboven genoemde AAU's, RMU's, CER's en ERU's) om op deze manier toch, tegen betaling, extra broeikasgassen uit te kunnen stoten. Doen ze dat niet, en stoten ze toch teveel uit, dan krijgen ze een boete. Zo kost vervuiling dus geld, en wordt het voor bedrijven aantrekkelijk om de hoeveelheid CO2 die ze uitstoten, te verminderen. Bedrijven die het juist beter doen dan het door de overheid opgelegde maximum, kunnen het "bespaarde" aantal ton CO2-equivalenten juist op de markt aanbieden.
Op 9 december 2002 heeft de Europese Unie de eerste internationale markt voor emissiehandel (binnen de EU) mogelijk gemaakt. De Raad van Milieuministers gaf zijn fiat een plan waarin emissieplafonds worden vastgesteld voor energiebedrijven, olieraffinaderijen, hoogovens, en de sectoren staal, ijzer, cement, glas, keramiek, papier, en pulp. In de Europese Unie is de handel opgedeeld in drie periodes. In de eerste periode , die van januari 2005 tot januari 2008 liep, werd vooral 'al doende geleerd'. De 27 nationale overheden van de EU-lidstaten mochten zelf de maxima van uit te stoten broeikasgassen vastleggen. Daarnaast werd het grootste deel van de emissierechten gratis aan bedrijven toegewezen, slechts een klein deel van de totale rechten werd geveild.
In de tweede periode , die van januari 2008 tot januari 2012 loopt, zullen de niet-EU-landen Noorwegen, IJsland en Liechtenstein zich aansluiten bij de emissiehandel. Bovendien moeten vanaf 2012 alle luchtvaartmaatschappijen gaan betalen voor de uitstoot van CO2 van hun toestellen. Dit ondanks felle protesten van de Internationale Organisatie voor de Luchtvaart (IATA). De IATA stelt dat de luchtvaartsector al langere tijd kampt met een crisis en het nog moeilijker zal krijgen door invoering van emissiehandel.
In de eerste en tweede periode maakten de nationale overheden plannen waarin was vastgelegd hoeveel rechten er verhandeld en weggegeven zouden worden. Voor de derde periode , die loopt van 2013 tot 2020, wil de Europese Commissie zelf bepalen hoe emissierechten worden toegewezen. Het toewijzen door nationale overheden leidde namelijk tot grote verschillen in de manier waarop lidstaten emissierechten toewezen. Bovendien werden er structureel te veel emissierechten toegekend. De Commissie wil in de derde periode het maximum aantal rechten steeds met 1,74% per jaar verminderen.
Daarnaast wordt het aantal gratis toegewezen emissierechten in de derde periode sterk gereduceerd. Alleen als het risico groot is dat bedrijven naar buiten Europa verhuizen, zullen nog gratis rechten krijgen. Dit geldt voor sectoren waarbij bedrijven onder druk van internationale concurrentie gedwongen zouden kunnen worden hun productie te verplaatsen naar landen buiten de EU die geen vergelijkbare emissiebeperkingen opleggen. Daar is vervuilen goedkoper. Als deze bedrijven hun productie zouden verplaatsen dan zou de emissie op wereldschaal toenemen. Er wordt dan wel van het 'koolstoflek' gesproken.
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1.
-
2.