Milieuloket:
Vermesting

 

Vermesting

Koeien in weiland

Mest is een onmisbare voedingsstof voor de grond. Zo bevat mest stoffen als stikstof (N) en fosfor (P), die onontbeerlijk zijn voor een vruchtbare bodem. De akkerbouw in Nederland gebruikt dan ook mest om allerlei gewassen te telen.

De uitstoot van mest veroorzaakt in sommige gedeelten van Nederland echter milieuschade. Allereerst zorgt mest natuurlijk voor stank. Maar de grootste problemen worden veroorzaakt door de 'overproductie' van mest: er worden zó veel dieren op een klein stukje grond gehouden, dat de bodem de hoeveelheid mest niet goed kan verwerken. Als er te veel mest in de bodem komt, sijpelen schadelijke stoffen door naar het grondwater. Ook komt mest in het oppervlaktewater (rivieren, sloten e.d.) terecht. Dit is slecht voor de natuur en de gezondheid.

De grootste uitstoot is afkomstig van de intensieve veeteelt. Met name varkens en kippen zorgen voor enorme hoeveelheden mest. Daarnaast zijn er nog meststoffen afkomstig van huishoudens (voornamelijk via het riool).

1.

Oorzaken

Belangrijke bestanddelen van mest zijn fosfor (P) en stikstof (N). Door reacties met andere stoffen zorgt mest voor de uitstoot van milieuvervuilende fosfaten, nitraten, verzurende stoffen, stikstofoxiden, ammoniak en het broeikasgas distikstofoxide. De bodem kan mest in principe goed verwerken, maar als de grond grote hoeveelheden mest te verwerken krijgt, heeft elk van deze stoffen specifieke, meestal schadelijke gevolgen voor het milieu. Zo spoelt nitraat meteen door naar oppervlakte- en grondwater, maar fosfaat spoelt pas door als de grond verzadigd is. Dit heeft als gevolg dat het erg lang kan duren voordat fosfaten uit de bodem verdwijnen.

Intensieve veeteelt

Een groot gedeelte van de veehouderij in Nederland is intensief: veel varkens en kippen worden gefokt op een klein stukje grond. Deze dieren produceren veel mest die niet direct gebruikt wordt voor de akkerbouw (het bemesten van gewassen). Bovendien gebruiken veel boeren voor het bemesten van hun gewassen liever kunstmest dan dierlijke mest. Hierdoor is de laatste twintig jaar een mestoverschot ontstaan: er wordt zo veel mest geproduceerd, dat men niet weet waar men die moet laten.

 
Stal met varkens die gevoerd worden

Bron: Folder "Slachting, weging en classificatie van vleesvarkens", PVE

De landbouw is verantwoordelijk voor het grootste deel van de stikstof (62 procent) en fosfor (57 procent) waarmee het oppervlaktewater belast wordt. Ook zorgt deze sector voor de uitstoot van schadelijke stoffen naar de bodem en het grondwater.

Riolen, industrie en afvalverwijderingsbedrijven

Niet alleen de landbouw zorgt voor vervuiling door mest, ook de mens produceert veel mest. Deze mest komt in eerste instantie terecht in het riool. Omdat Nederland een van de meest dichtbevolkte landen ter wereld is, wordt het riolenstelsel relatief zwaar belast. De weggespoelde uitwerpselen worden in eerste instantie gefilterd door rioolwaterzuiveringsinstallaties. Deze installaties lozen in het oppervlaktewater. Hiermee zorgen zij voor 18 procent van de stikstofbelasting, en 38 procent van de fosforbelasting. De overige vermesting wordt veroorzaakt door, onder andere, de industrie en afvalverwijderingsbedrijven.

2.

Gevolgen

Eutrofiëring, afname van de biodiversiteit en stank

Door de te overvloedige uitstoot van mest neemt de concentratie van mineralen in grond- en oppervlaktewater aanzienlijk toe. Dit proces, dat ook wel eutrofiëring wordt genoemd, draagt daarnaast voor een groot deel bij aan de verzuring van water en bodem. Vermesting van oppervlaktewater heeft de afgelopen tientallen jaren gezorgd voor uitbundige kroos- en algengroei. De algen ontnemen veel zuurstof aan het water, waardoor veel plant- en diersoorten verdwijnen. Door de gezamenlijke effecten van verdroging, verzuring en vermesting zijn in Nederland heel wat plantensoorten verdwenen of bedreigd.

Ook veroorzaakt vermesting stankoverlast. Soms ruik je zelfs in de auto op de snelweg de penetrante geur van opgehoopte mest. Na tien minuten rijden is dat voor de meeste mensen dan weer voorbij, maar degenen die in landelijke gebieden wonen waar veel mest geproduceerd wordt, kunnen dit als een flinke overlast ervaren.

Aangetaste gebieden

Vermesting is in Nederland een groter probleem dan in veel omringende landen, voornamelijk door de uitzonderlijk intensieve veeteelt. Vooral in het oostelijke deel van Noord-Brabant (met name de Kempen en de Peelhorst), de Achterhoek, Twente, in delen van Limburg en de Gelderse vallei komen sterk fosfaatverzadigde gronden voor. Op zandgronden, die vaak een functie hebben als recreatiegebied, zijn de gevolgen van vermesting het ergst merkbaar. Deze aantasting heeft ook gevolgen voor nabijgelegen bossen, vennen en hoogveengebieden. Daarnaast worden de ecosystemen van bijvoorbeeld de Waddenzee en het IJsselmeer aangetast.

Bedreiging voor de gezondheid en drinkwater

Een kwart van de Nederlandse drinkwaterwinning vindt plaats in gebieden die kwetsbaar zijn voor nitraatvervuiling. Verschillende putten zijn al verlaten, omdat het grondwater niet voldeed aan wettelijke normen. Op een aantal plaatsen moeten drinkwaterbedrijven de waterputten bijvullen met schoon water om de normen te halen.

Naast het doorsijpelende nitraat hebben waterleidingbedrijven last van sulfaatvervuiling, die wordt veroorzaakt door de afbraak van nitraten in de bodem. Vermesting zorgt verder voor een vervuiling van het water met zware metalen (koper, cadmium en kalium). Ten slotte neemt door vermesting de waterhardheid toe, waardoor waterbedrijven moeten investeren in nieuwe zuiverings- en onthardingsinstallaties.

3.

Het mestbeleid

De overheid wil de negatieve gevolgen van grote hoeveelheden mest zoveel mogelijk beperken. Dit gebeurt onder meer door vast te leggen hoeveel meststoffen boeren mogen gebruiken en op welke wijze ze dit moeten doen. Ook stelt het mestbeleid vast hoeveel dieren veehouders mogen houden en hoe het dierlijke mest moet worden vervoerd. Dit beleid is gebaseerd op de Europese Nitraatrichtlijn uit 1991.

De gebruiksnormen die zijn beschreven in het mestbeleid stellen de maximale hoeveelheden stikstof, fosfaat en dierlijke mest vast die landbouwers mogen toepassen bij de teelt van een bepaald gewas. Deze normen moeten ervoor zorgen dat een gewas niet onnodig veel meststoffen krijgt en dat er zo min mogelijk mest uitspoelt naar het grondwater. Op basis van deze gebruiksnormen kan een boer bepalen hoeveel dierlijke mest, stikstof en fosfaat hij per jaar mag gebruiken.

Naast gebruiksnormen zijn er ook gebruiksvoorschriften vastgelegd. Deze voorschriften moeten er toe leiden dat mest alleen op het juiste moment wordt verspreid; namelijk op het moment dat gewassen de meststoffen het beste kunnen opnemen. Daarnaast gelden voorschriften voor het direct in de bodem brengen van mest, zodat minder ammoniak vrijkomt.

Door grenzen te stellen aan de hoeveelheid vee die veehouders mogen houden, probeert de overheid een beter evenwicht te bereiken tussen de hoeveelheid dierlijke mest die wordt geproduceerd in de veehouderij en de hoeveelheid mest die landbouwers nuttig kunnen gebruiken op hun land.

Op basis van de nitraatrichtlijn wordt iedere vier jaar een actieprogramma opgesteld. In Nederland is momenteel het vierde programma, dat loopt van 2010 tot 2013, van kracht. De twee maatregelen die centraal staan in dit actieprogramma zijn:

  • boeren mogen minder meststoffen gebruiken
  • voor grasland en bouwland gelden kortere uitrijperiodes (waarin het storten of spuiten van mest is toegestaan) voor dierlijke mest
Uitrijden van mest door een tractor op een aardappelveld

Het uitrijden van mest op de Aardappelboulevard (Zeeland)
Bron: DLV adviesgroep

4.

Verwachte ontwikkelingen

Resultaten en ontwikkelingen binnen het Nederlands mestbeleid

Het mestprobleem van Nederland is - in vergelijking met onze buurlanden - relatief groot. Nederland is zich hier van bewust en de overheid heeft hier dan ook al verschillende dingen aan proberen te doen. Tussen 1999 en 2001, bijvoorbeeld, heeft het ministerie van Landbouw, Milieu en Voedselveiligheid miljoenen geďnvesteerd in het opkopen van boerenbedrijven die zich met intensieve veeteelt bezighielden. Onder andere door deze opkoopregeling en het mestbeleid dat de afgelopen jaren gevoerd is, is de mestproductie in Nederland sterk afgenomen. Maar nog altijd voldoet Nederland niet aan de eisen die de Europese Unie heeft gesteld.

Onder andere om toch aan deze Europese doelen voor milieu en natuur te kunnen voldoen heeft de overheid samen met het bedrijfsleven een visie op het toekomstig mestbeleid opgesteld. Het nieuwe stelsel moet in 2015 van kracht zijn en vervangt het huidige stelsel van melkquotering en dierrechten.

Dit nieuwe beleid moet zorgen voor een duurzaam evenwicht tussen mestproductie en mestafzetruimte (de grond waarop boeren hun mest kwijt kunnen). Het beleid richt zich alleen op veehouderijbedrijven die meer mest produceren dan zij op eigen grond kwijt kunnen. Veehouders die voldoende grond hebben om hun eigen mestproductie af te zetten zullen worden ontzien. Mest waarvoor vooraf geen afzetruimte wordt vastgelegd, zal niet mogen worden geproduceerd.

Een veehouder die toch meer mest produceert dan hij op zijn grond kwijt kan, zal een percentage van zijn mestoverschot moeten aanbieden voor verwerking bij een erkend mestverwerkingsbedrijf. Daarmee moet hij uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het productiejaar een contract sluiten. Ook zal deze veehouder er voor kunnen kiezen een andere afzetmarkt proberen te vinden, zoals meer landbouwgrond, duurzame energieopwekking of in het buitenland.

Of dit nieuwe mestbeleid zijn vruchten zal gaan afwerpen moet blijken uit metingen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu en het Landbouw Economisch Instituut. Dit instituut onderzoekt elk jaar de effecten van het mestbeleid op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater.

Het Nederlands beleid en Europa

Hoewel het mestoverschot in Nederland sterk afneemt, zal Nederland hard moeten werken om aan de Europese normen die zijn vastgesteld in de Europese Nitraatrichtlijn te voldoen. Vergeleken met andere EU-lidstaten is de melkveehouderij in Nederland dusdanig intensief, dat koeien relatief erg veel mest produceren op de weilanden waar ze op grazen. Omdat deze mest veel stikstof bevat, is dit schadelijk voor bodem en water. De Europese regelgeving schrijft voor dat de stikstofbelasting per hectare grasland maximaal 170 kilo mag zijn. Uit het actieprogramma blijkt dat de grondwaterkwaliteit in Nederland in het grootste gedeelte van de klei-en veengebieden voldoet aan de eisen die de EU stelt. In veel andere delen, echter, is de grondwaterkwaliteit nog niet op orde, vooral in zand-en lössgrond.

Nederland heeft de EU verzocht om de stikstofbelasting op te rekken naar maximaal 250 kilo stikstof per hectare grasland, omdat Nederland een langer groeiseizoen en een hogere gewasopname zou kennen. Ondanks dat Brussel het hier voorheen niet mee eens was, heeft Nederland voor de periode 2010-2013 een ontheffing verkregen. Dit geldt alleen voor dierlijke mest van graasdieren en voor bedrijven met minimaal 70 procent grasland.

5.

Vermesting en de natuur

Door de jarenlange overbemesting voldoet het oppervlaktewater in Nederland nog niet overal aan het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau. Dit is de concentratie van een stof in water, sediment, bodem of lucht waar beneden geen negatief effect is te verwachten. Ook in de bodem is de mineralenconcentratie nog onvoldoende afgenomen om een natuurlijke evenwichtssituatie te bereiken. Wel is de uitstoot van ammoniak sinds 1980 flink gedaald. Als de streefwaarden voor de emissieniveaus van ammoniak worden gehaald, vormt vermesting voor twintig tot dertig procent van de Nederlandse natuur geen bedreiging meer. Nu is dat nog maar tien procent.

De verwachting is ook dat de positieve effecten van het gevoerde beleid maar langzaam doorwerken, omdat met name fosfaten maar langzaam uit de grond verdwijnen. Zo is meer dan de helft van het Oostelijke deel van de Noord-Brabantse landbouwgrond fosfaatverzadigd. Het kan dus nog een tijd duren voordat het mestbeleid al zijn zichtbare vruchten afwerpt, hoewel de resultaten nu al in de afnemende emissies merkbaar zijn.

6.

Meer weten

Internetsites

Of neem contact op met

 
  • Contact
  • Home