Milieuloket:
Vermesting
Submenu:
Nieuws-items bij Vermesting
-
30-06Veehouderij wordt langzaam duurzamer
-
27-10-2009Minder vlees eten goed voor het milieu
-
12-09-2008Milieubalans 2008: Europese maatregelen soms onvoldoende voor Nederlandse situatie
-
27-02-2008Nieuwe 'Weet wat je eet Gifmeter' voor groente en fruit
-
26-10-2007Stikstof en fosfaat in bodem bij melkveehouderij gehalveerd
-
22-05-2007Nederlandse wateren worden niet schoner
-
30-06-2006Extra inspanning nodig om aan emissieplafonds 2010 te voldoen
-
06-03-2006Provincie Brabant protesteert tegen soepeler stankregels
-
19-01-2006"Stadse types klagen te veel over boerenstank"
-
12-07-2005Stankregels voor veehouderijen vereenvoudigd
Vermesting - Hoofdinhoud
Mest is een onmisbare voedingsstof voor de grond. Zo bevat mest stoffen als stikstof (N) en fosfor (P), die onontbeerlijk zijn voor een vruchtbare bodem. De akkerbouw in Nederland gebruikt dan ook mest om allerlei gewassen te telen.
De uitstoot van mest (poep van dieren en mensen) veroorzaakt in sommige gedeelten van Nederland echter milieuschade. Allereerst zorgt mest natuurlijk voor stank. Maar de grootste problemen worden veroorzaakt door de 'overproductie' van mest: er worden zó veel dieren op een klein stukje grond gehouden, dat de bodem de hoeveelheid mest niet goed kan verwerken. Als er te veel mest in de bodem komt, sijpelen de schadelijke stoffen door naar het grondwater. Ook komt mest in het oppervlaktewater (rivieren, sloten e.d.) terecht. Dit is slecht voor de natuur en de gezondheid.
De grootste uitstoot is afkomstig van de intensieve veeteelt. Met name varkens en kippen zorgen voor enorme hoeveelheden mest. Dan zijn er nog meststoffen afkomstig van huishoudens (voornamelijk via het riool).
Inhoudsopgave van deze pagina:
- 5. Europa
- 6. Vermesting en de natuur
- 7. Meer weten
Belangrijke bestanddelen van mest zijn fosfor (P) en stikstof (N). Door reacties met andere stoffen zorgt mest voor de uitstoot van milieuvervuilende fosfaten, nitraten, verzurende stoffen, stikstofoxiden, ammoniak en het broeikasgas distikstofoxide. De bodem kan mest in principe goed verwerken, maar als de grond grote hoeveelheden mest te verwerken krijgt, heeft elk van deze stoffen specifieke, meestal schadelijke gevolgen voor het milieu. Zo spoelt nitraat meteen door naar oppervlakte- en grondwater, maar fosfaat spoelt pas door als de grond verzadigd is. Dit heeft als gevolg dat het erg lang kan duren voordat fosfaten uit de bodem verdwijnen.
Intensieve veeteelt
Een groot gedeelte van de veehouderij in Nederland is intensief: veel varkens en kippen worden gefokt op een klein stukje grond. Deze dieren produceren veel mest, die niet direct gebruikt wordt voor de akkerbouw (het bemesten van gewassen). Bovendien gebruiken veel boeren voor het bemesten van hun gewassen liever kunstmest dan dierlijke mest. Hierdoor is de laatste twintig jaar een mestoverschot ontstaan: er wordt zo veel mest geproduceerd, dat men niet weet waar men die moet laten.

Bron: Folder "Slachting, weging en classificatie van vleesvarkens", PVE
De intensieve veeteelt is verantwoordelijk voor het grootste deel van de stikstof (68 procent) en fosfor (60 procent) waarmee het oppervlaktewater belast wordt. Ook zorgt de landbouw voor alle uitstoot naar de bodem en het grondwater.
Riolen, industrie en afvalverwijderingsbedrijven
Niet alleen de landbouw zorgt voor vervuiling door mest, ook de mens produceert veel mest. Deze mest komt in eerste instantie terecht in het riool. Nederland is een van de meest dichtbevolkte landen ter wereld is, waardoor het riolenstelsel relatief zwaar belast wordt. De weggespoelde uitwerpselen worden in eerste instantie gefilterd door rioolwaterzuiveringsinstallaties. Deze installaties lozen in het oppervlaktewater. Hiermee zorgen zij voor 30 procent van de stikstofbelasting, en 24 procent van de fosforbelasting. De overige vermesting wordt veroorzaakt door onder andere de industrie en afvalverwijderingsbedrijven.
Eutrofiëring, afname van de biodiversiteit en stank
Door de te overvloedige uitstoot van mest neemt de concentratie van mineralen in grond- en oppervlaktewater aanzienlijk toe. Dit proces, dat ook wel eutrofiëring wordt genoemd, draagt daarnaast voor een groot deel bij aan de verzuring van water en bodem. Vermesting van oppervlaktewater heeft de afgelopen tientallen jaren gezorgd voor uitbundige kroos- en algengroei. De algen ontnemen veel zuurstof aan het water, waardoor veel plant- en diersoorten verdwijnen. Door de gezamenlijke effecten van verdroging, verzuring en vermesting is in Nederland tussen 1950 en 1995 de helft van de plantensoorten verdwenen of bedreigd.
Ook veroorzaakt vermesting stankoverlast. Soms ruik je zelfs in de auto op de snelweg de penetrante geur van opgehoopte mest. Na tien minuten rijden is dat voor de meeste mensen dan weer voorbij, maar degenen die in landelijke gebieden wonen waar veel mest geproduceerd wordt, kunnen dit als een flinke overlast ervaren.
Aangetaste gebieden
Vermesting is in Nederland een groter probleem dan in veel omringende landen, voornamelijk door de uitzonderlijk intensieve veeteelt. Vooral in het oostelijke deel van Noord-Brabant (met name de Kempen en de Peelhorst), de Achterhoek, Twente, in delen van Limburg en de Gelderse vallei komen sterk fosfaatverzadigde gronden voor. Op zandgronden, die vaak een functie hebben als recreatiegebied, zijn de gevolgen van vermesting het ergst merkbaar. Deze aantasting heeft ook gevolgen voor nabijgelegen bossen, vennen en hoogveengebieden. Daarnaast worden de ecosystemen van bijvoorbeeld de Waddenzee en het IJsselmeer aangetast.
Bedreiging voor de gezondheid en drinkwater
Een kwart van de Nederlandse drinkwaterwinning vindt plaats in gebieden die kwetsbaar zijn voor nitraatvervuiling. Verschillende putten zijn al verlaten, omdat het grondwater niet voldeed aan wettelijke normen. Op 13 plaatsen moeten drinkwaterbedrijven de waterputten bijvullen met schoon water om de normen te halen.
Naast het doorsijpelende nitraat hebben waterleidingbedrijven last van sulfaatvervuiling, die wordt veroorzaakt door de afbraak van nitraten in de bodem. Vermesting zorgt verder voor een vervuiling van het water met zware metalen (koper, cadmium en kalium). Ten slotte neemt door vermesting de waterhardheid op, waardoor waterbedrijven moeten investeren in nieuwe zuiverings- en onthardingsinstallaties. De afgelopen 10 jaar hebben drinkwaterbedrijven bijna 85 miljoen euro uitgegeven aan preventie- en zuiveringsmaatregelen. In 2000 werd 30 miljoen gulden geïnvesteerd.
Vermesting wordt bestreden door verschillende maatregelen. Allereerst heeft het ministerie van Landbouw in de periode 1999-2001 honderden miljoenen guldens uitgegeven om ruim 5.000 boerenbedrijven op te kopen die zich met intensieve veeteelt bezighielden. Hierdoor neemt de productie van mest automatisch af. In Noord-Brabant (een van de grootste mestproducerende gebieden) krimpt de veestapel door deze regeling met 30 procent.
Ook wordt de wetgeving met betrekking tot het uitrijden van mest (het storten of spuiten van mest) steeds strenger, met name door de inwerkingtreding van de Europese Nitraatrichtlijn in 1999. Dit uitrijden mag slechts op bepaalde gebieden die door de (provinciale) overheden zijn aangewezen. Ook moeten boeren via zogenoemde 'mestafzetcontracten' aangeven op welke landerijen ze hun mest uitrijden. Hierbij zijn boeren gedwongen om maximale hoeveelheden mest aan te houden voor bepaalde landerijen, om vervuiling van bodem en grondwater tegen te gaan.

Het uitrijden van mest op de Aardappelboulevard (Zeeland)
Bron: DLV adviesgroep
Verder zorgen boeren zelf voor een vermindering van het stikstofgehalte van de mest, door hun dieren anders te voeden en de stallen anders in te richten (groenlabelstallen). Ook de verkoop van dierlijke mest aan akkerbouwers zou bij kunnen dragen tot vermindering van de problemen, maar deze verkoop is vooralsnog niet echt een succes.
Weer een andere oplossing is de verbranding van dierlijke mest (biomassa) voor energievoorziening. Omdat mest veel schadelijke stoffen bevat, is de overheid momenteel nog terughoudend in het geven van vergunningen voor deze verbranding. De komende jaren zal mest als bron voor biomassa waarschijnlijk toenemen, door een versoepeling van de regels en betere filters bij de afvalverbranding. Export van mest zorgt wél voor een afname van de verzuring. Volgens aannames van het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) moet de export van mest echter flink toenemen om betekenisvol bij te kunnen dragen aan een afname van de vermesting in Nederland.
Resultaten en ontwikkelingen binnen het Nederlands mestbeleid
Het mestprobleem van Nederland is - in vergelijking met onze buurlanden - relatief groot. Door de opkoopregeling van het Ministerie van Landbouw zal de mestproductie in Nederland in 2003 dusdanig afnemen, dat zo'n 12 miljoen kilo fosfaat minder wordt uitgestoten dan in 2001. Omdat het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) vóór de opkoopregeling berekend had dat het mestoverschot in 2003 uit zou komen op 8,5 miljoen kilo fosfaat, concludeert het ministerie van Landbouw dat het mestoverschot is opgelost.
In oktober 2002 ging het kabinet-Balkenende akkoord met een voorstel om de wetgeving te versoepelen, waardoor boeren meer mest uit mogen rijden dan wettelijk is toegestaan. Boeren mogen nu nog 30 kilo fosfaten per hectare per jaar 'vervuilen', en volgend jaar maximaal 25 kilo in plaats van de eerder afgesproken 20. Het RIVM geeft echter aan dat het milieu het meest gebaat is bij een maximum van één kilo per hectare. Dit scenario gaat uit van het verdwijnen van éénderde van alle varkens- en kippenbedrijven in Nederland, wat overeenkomt met het verlies van 20.000 arbeidsplaatsen en een eenmalig verlies van 1 miljard euro toegevoegde waarde.
Het Nederlands beleid: Europa is tegen
Hoewel het mestoverschot in Nederland sterk afneemt, zal Nederland ook over een aantal jaar niet aan Europese normen voldoen die zijn vastgesteld in de Europese Nitraatrichtlijn. Vergeleken met andere EU-lidstaten is de melkveehouderij in Nederland dusdanig intensief, dat koeien relatief erg veel mest produceren op de weilanden waar ze op grazen. Omdat deze mest veel stikstof bevat, is dit schadelijk voor bodem en water. De Europese regelgeving schrijft voor dat de stikstofbelasting per hectare grasland maximaal 170 kilo mag zijn. In Nederland is deze belasting echter veel hoger.
Nederland heeft de EU verzocht om dit op te rekken naar maximaal 250 kilo stikstof per hectare grasland, omdat Nederland een langer groeiseizoen en een hogere gewasopname zou kennen. De beslissing die Brussel hierover in december 2001 zou nemen is uitgesteld, waarschijnlijk tot medio 2003. Inmiddels heeft de advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie in november 2002 een vernietigend oordeel geveld over het Nederlands mestbeleid in de jaren '90, wat de kans op een soepele houding vanuit de Europese Commissie vermindert. Als Europa het verzoek om vrijstelling verwerpt, heeft dit waarschijnlijk grote gevolgen. Melkveehouders zullen hun grasland dan niet meer volledig voor de mest van koeien kunnen openstellen, waardoor deze boeren dure mestafzetovereenkomsten moeten sluiten.
Hoewel het mestoverschot in Nederland sterk afneemt, zal Nederland ook over een aantal jaar niet aan Europese normen voldoen die zijn vastgesteld in de Europese Nitraatrichtlijn. Vergeleken met andere EU-lidstaten is de melkveehouderij in Nederland dusdanig intensief, dat koeien relatief erg veel mest produceren op de weilanden waar ze op grazen. Omdat deze mest veel stikstof bevat, is dit schadelijk voor bodem en water.
De Europese regelgeving schrijft voor dat de stikstofbelasting per hectare grasland maximaal 170 kilo mag zijn. In Nederland is deze belasting echter veel hoger. Nederland heeft daarom de EU verzocht om dit op te rekken naar maximaal 250 kilo stikstof per hectare grasland, omdat Nederland een langer groeiseizoen en een hogere gewasopname zou kennen. De beslissing die Brussel hierover in december 2001 zou nemen is uitgesteld, waarschijnlijk tot medio 2003.
Inmiddels heeft de advocaat-generaal van het Europese Hof van Justitie in november 2002 een vernietigend oordeel geveld over het Nederlands mestbeleid in de jaren '90, wat de kans op een soepele houding vanuit de Europese Commissie vermindert. Als Europa het verzoek om vrijstelling verwerpt, heeft dit waarschijnlijk grote gevolgen. Melkveehouders zullen hun grasland dan niet meer volledig voor de mest van koeien kunnen openstellen, waardoor deze boeren dure mestafzetovereenkomsten moeten sluiten.
Door de jarenlange overbemesting voldoet het oppervlaktewater in Nederland nog bijna nergens aan de van overheidswege vastgestelde Maximaal Toelaatbaar Risicowaarden. Ook in de bodem is de mineralenconcentratie nog onvoldoende afgenomen om een natuurlijke evenwichtssituatie te bereiken. Wel is de uitstoot van ammoniak sinds 1980 met circa 30 procent gedaald. Als de streefwaarden voor de emissieniveaus van ammoniak worden gehaald, wat onwaarschijnlijk lijkt, vormt vermesting voor twintig tot dertig procent van de Nederlandse natuur geen bedreiging meer. Nu is dat nog maar tien procent.
De verwachting is ook dat de positieve effecten van het gevoerde beleid maar langzaam doorwerken, omdat met name fosfaten maar langzaam uit de grond verdwijnen. Zo is meer dan de helft van het Oostelijke deel van het Noord-Brabantse landbouwareaal fosfaatverzadigd. Het kan dus nog een tijd duren voordat het mestbeleid al zijn zichtbare vruchten afwerpt, hoewel de resultaten nu al in de afnemende emissies merkbaar zijn.
Internetsites
Of neem contact op met