Milieuloket:
Biotechnologie
Submenu:
Nieuws-items bij Biotechnologie
-
13-05-2011'Genetisch gemodificeerde gewassen beter voor milieu'
-
04-02-2011WNF kiest in nieuw energiescenario onomwonden voor hernieuwbare bronnen
-
07-12-2010Ondergrondse CO2-opslag waarschijnlijk toegestaan als klimaatmaatregel
-
02-11-2010Regelmatig teveel gifresten op groente en fruit in Nederland
-
09-02-2006Europa terechtgewezen wegens verbod op gen-gewassen
Biotechnologie - Hoofdinhoud
Biotechnologie is grof gezegd biologie gebruiken om producten te maken of verbeteren. Genetische modificatie is hier één voorbeeld van. Bij genetische modificatie gaat het om veranderingen die op natuurlijke wijze niet mogelijk zijn. Bijvoorbeeld is kaas maken met schimmels ook biotechnologie, maar geen genetische modificatie. Genetisch veranderde sojabonen die daardoor beter tegen bestrijdingsmiddelen kunnen, zijn genetisch gemodificeerd én daarmee ook onderdeel van de biotechnologie.
Genetische modificatie is het op kunstmatige wijze aanpassen van genetisch materiaal (DNA). Er zijn onder specialisten stevige discussies gaande over de wenselijkheid van genetisch gemodificeerde organismen (ggo's). Toch worden ggo's momenteel in Nederland op proefbasis geproduceerd en zitten ze al in veel voedingsmiddelen met geïmporteerde ingrediënten, zoals koekjes, chips, babyvoeding en sauzen. Als er genetisch gemodificeerde bestanddelen in voedingsmiddelen zitten moet dat sinds 2004 wel op het etiket staan. Bij melk, vlees en eieren hoeft het echter niet vermeld te worden als de dieren genetisch gemodificeerd veevoer hebben gehad. In biologische producten met het EKO- of Demeter-logo zitten geen genetisch gemodificeerde bestanddelen.
Wereldwijd zit de teelt van gen-gewassen in de lift. Ongeveer 8,5 miljoen boeren telen gen-gewassen op bijna 100 miljoen hectare, met name in Noord- en Zuid-Amerika.
De langetermijneffecten van genetische modificatie op de leefomgeving zijn vooralsnog moeilijk in te schatten. Ook omdat de ontwikkeling van ggo's tot stand komt na ingewikkelde laboratoriumprocedures, is het niet makkelijk om je als buitenstaander een mening te vormen over de (on)wenselijkheid van ggo's.
Genetische modificatie is het kunstmatig veranderen van de genetische opmaak van organismen (bijvoorbeeld planten of dieren). Via ingewikkelde laboratoriumtechnieken worden hierbij stukjes DNA van één organisme gebruikt, om eigenschappen van een ander organisme te veranderen. Synoniemen voor genetische modificatie zijn genetische manipulatie, gentechnologie, recombinant DNA-techniek, genetische transformatie en moderne biotechnologie.
Toepassingen van genetische modificatie zijn te vinden in de productie van voedsel (zowel in de landbouw als in de veeteelt) en in de gezondheidssector (bijvoorbeeld bij de productie van medicijnen of donor-organen). We zullen hier alleen ingaan op de toepassingen binnen de voedselsector, omdat de vraag naar de wenselijkheid van genetische modificatie hier het meest speelt.
De voedselindustrie maakt gebruik van genetische modificatie om de volgende redenen:
-
-Gewassen en dieren kunnen door genetische modificatie afweermechanismen (resistentie) ontwikkelen tegen bijvoorbeeld een ziekte, weersomstandigheden of tegen landbouwgif
-
-De kwaliteit van voedsel kan door genetische modificatie veranderd worden - denk aan een langere houdbaarheid, een andere smaak of toevoeging van bepaalde vitaminen
-
-Genetische modificatie kan voor een verhoogde productie van bepaalde voedselelementen in het organisme zorgen (bijvoorbeeld een hogere eiwitproductie, of meer zaden per plant)
Menselijke consumptie
Genetische modificatie kan gewassen eigenschappen geven die ze voorheen niet hadden. Cholesterolverlagende zuivel is daarvan een voorbeeld. Een andere toepassing is bijvoorbeeld het uitbannen van BSE-besmetting bij koeien via genetische manipulatie. Dergelijke voorlopig theoretische toepassingen kunnen pleiten vóór verdere ontwikkeling van genetisch onderzoek.
Het veranderen van erfelijk materiaal tijdens onderzoek mag alleen als daar een vergunning voor is verleend door het Ministerie van VROM. Dit geldt ook voor gentherapie bij mensen.
Voor de menselijke gezondheid is het echter ook van belang dat voedingsmiddelen veilig zijn. Zo moet voedsel vrij van gif zijn en geen allergische reacties veroorzaken. Vooral het laatste kan problematisch worden. Zo is bij wijze van experiment bij de productie van genetisch gemodificeerde soja gebruik gemaakt van genen uit noten om bepaalde eigenschappen van de soja te verbeteren. Deze soja zou een allergische reactie op kunnen wekken bij mensen met een noten-allergie.
Landbouw
De voordelen die genetische modificatie zou kunnen bieden voor de consument, gelden ook voor de boer. De oogst van gewassen kan betrouwbaarder worden, door deze gewassen immuun te maken voor plantziektes en onkruidbestrijders. Ook zouden genetisch gemanipuleerd vee minder vatbaar kunnen zijn voor ziektes. Het Publiek Debat Biotechnologie en Voedsel noemde als hypothetische voorbeelden koeien die niet vatbaar zijn voor BSE.
Daartegenover staat dat boeren in grotere mate afhankelijk worden van multinationals, die ggo's en bijbehorende onkruidverdelgingsmiddelen produceren en verkopen. Door te sleutelen aan het afweersysteem van de gewassen, zijn deze gewassen beter bestand tegen bestrijdingsmiddelen. Echter, deze resistentie geldt alleen voor het bestrijdingsmiddel van dat bedrijf zelf (de planten zijn niet beschermd tegen een onkruidverdelger van de concurrent). De boer wordt hiermee dus gedwongen om de bestrijdingsmiddelen bij hetzelfde bedrijf te kopen als waar hij de zaden koopt.
Ook beschermen deze biotechbedrijven hun zaden via octrooien, waardoor boeren octrooirechten moeten betalen als zij bepaalde zaadsoorten zaaien.
Ontwikkelingslanden
De wereldbevolking groeit hard. Om deze stijgende wereldbevolking te kunnen voeden, zou genetische modificatie uitkomst kunnen bieden. Rijst met (genetisch toegevoegde) vitamine A zou, in landen waar het moeilijk is om ander vitamine A-rijk voedsel te krijgen, een nuttige aanvulling kunnen betekenen van de maaltijd. Ook zijn ontwikkelingslanden gebaat bij bijvoorbeeld maïs die ondanks droogte kan groeien. Nederland stimuleert dan ook onderzoek naar zulke 'nuttige' gemodificeerde gewassen.
Daar staat tegenover dat boeren in ontwikkelingslanden vaak minder middelen hebben om zich te beschermen tegen de invloed van grote multinationals, die hun zaden verkopen onder hun eigen voorwaarden. Zo ontwikkelen multinationals zaaigoed met zogenaamde 'terminator' -genen, die zorgen ervoor dat planten geen levensvatbaar zaad produceren. Zo wordt de boer afhankelijk van de multinationals, bij wie hij elk seizoen het dure zaaigoed moet kopen.
Bovendien kunnen zulke voorwaarden leiden tot het bevorderen van inkomensongelijkheid, omdat slechts rijke boeren bij deze multinationals, kunnen inkopen. Het is in de huidige situatie nog maar de vraag of genetische modificatie zal leiden tot een goedkope voedselvoorziening voor een arme bevolking.
De milieugevolgen van een wijde verspreiding van genetisch gemodificeerde gewassen zijn moeilijk in te schatten. Gewassen die resistent zijn tegen chemische onkruidverdelgingsmiddelen lijken schadelijk voor het milieu. In de strijd tegen onkruid krijgt de boer immers de gelegenheid om meer gif te spuiten. De biodiversiteit (soortenrijkdom) op deze velden neemt dan af, omdat flora en fauna minder goed gedijen op bespoten grond.
Daar staat tegenover dat het genetisch gemanipuleerde Bt-katoen een speciaal gen bevat waardoor deze bestand is tegen de katoenkever. Dit leidt juist tot minder chemische bestrijdingsmiddelen. Een persbericht van Greenpeace, waarin betoogd werd dat het gebruik van Bt-katoen heeft geleid tot een milieuramp in China, lijkt grond te missen.
Voorts kan het stuifmeel van genetisch gemodificeerde gewassen met andere planten in aanraking komen. Doordat de wind stuifmeel van deze gewassen meeneemt, kunnen kruisingsproducten ontstaan. Zo ontstond in november 2002 beroering in de Verenigde Staten toen bleek dat een commercieel maïsveld dat diervoer produceerde, was 'besmet' met stuifmeel uit een nabijgelegen proefveld. Daar werden diverse genetische experimenten op maïs uitgevoerd om medicijnen te ontwikkelen tegen diarree en diabetes. Het medische bedrijf ProdiGene, dat de medicijnen ontwikkelt, kreeg een boete van 250.000 dollar, en moest ook 2,8 miljoen dollar betalen om de geoogste maïsvoorraaden te vernietigen.
Uiteindelijk hebben kruisingsproducten, die ontstaan door het overwaaien van stuifmeel, als extra nadelig effect dat het moeilijk wordt om ggo's te identificeren. Hierdoor zal het etiket van producten in de supermarkt wellicht niet de juiste informatie kunnen geven - wat met name lastig is voor mensen met bepaalde allergieën.
Alle lidstaten van de Europese Unie (EU) moeten Europese richtlijnen verwerken in hun nationale wetgeving. In Nederland zijn de meeste regels voor ggo's vastgelegd in het besluit genetisch gemodificeerde organismen en de regelgeving genetisch gemodificeerde organismen.
Vergunningen
Voordat een ggo in Europa gebruikt mag worden, moet dit eerst door de EU worden goedgekeurd. Dit gebeurt wanneer de fabrikant kan aantonen dat het gewas niet schadelijk is voor mens, dier en milieu. Zodra de EU een vergunning geeft voor een ggo is deze geldig in alle EU-landen.
Naast een vergunning wordt ook een risico-inschatting gemaakt door de Europese voedselveiligheid autoriteit (EFSA). Met deze inschatting kunnen landen inschatten welk risico elke ggo met zich meebrengt. In Nederland kijkt het ministerie Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VLW) en Landbouw en Natuur en Voedselveiligheid (LNV) of deze risico-analyse goed is uitgevoerd.
Europese discussie over biotechnologie
In de Europese Unie is er een discussie gaande over het gebruik van biotechnologie in de landbouw. Een van de knelpunten is het feit dat de effecten op de lange termijn van onomkeerbare veranderingen in de gencode moeilijk zijn in te schatten. Ook bestaat het gevaar dat andere landbouwgewassen besmet worden door de wind die de zaden van de GGO gewassen meeneemt. Ook religieuze en ethische bezwaren tellen zwaar, veel mensen vragen zich af of het acceptabel is om de natuur op deze manier naar onze hand te zetten.
In veel Europese landen, waaronder Nederland, schrijft de nationale wetgeving voor dat de consument de keus moet hebben tussen gemanipuleerd en ongemanipuleerd voedsel.
Er blijven echter veel onduidelijkheden voor de consument, het Europees Parlement wil dat deze onduidelijkheden snel worden opgelost. Veel vlees is afkomstig van dieren die gevoerd zijn met genetisch gemanipuleerde gewassen. Daarnaast is het vaak moeilijk om zeker te weten wat er met een product is gebeurd. Onderzoek van de eindproducten is niet altijd sluitend. In Nederland worden wél richtlijnen opgesteld voor gentechvrije labels. Producten met het EKO-keurmerk zijn in ieder geval gentechvrij.
Voor het uitvoeren van veldproeven met GGO's is een vergunning nodig van het ministerie van VROM. Het ministerie neemt de beslissing op grond van de richtlijn voor doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) in het milieu (richtlijn 2001/18/EG). Deze richtlijn is opgesteld door de Europese Unie en Nederland, en uitgewerkt in het besluit GGO. De minister besluit op basis van deze richtlijn of een vergunning kan worden verleend.
Sinds 1996 groeit het gebied waarop boeren gen-gewassen telen sterk, in 1996 was dit gebied nog minder dan 2 miljoen hectare. Maar in 2009 bedroeg dit landbouwoppervlak al 90 miljoen hectare, en in 2009 was dit maar liefst 134 miljoen hectare. Brazilië, Argentinië, India, China en Zuid-Afrika zijn de ontwikkelingslanden die meeste gen-gewassen verbouwen, samen produceren zij 43% van de totale hoeveelheid.
De ISAAA, een internationale organisatie die landbouw van gen-gewassen in ontwikkelingslanden stimuleert, voorspelt dat in 2015 genetisch gemodificeerde gewassen verbouwd zullen worden op een oppervlak van 200 miljoen hectare, verspreid over ongeveer 40 landen.
De meest verbouwde gewassen wereldwijd zijn soja (52 procent), maïs (31 procent), katoen (12 procent), en koolzaad (5 procent). Soja en maïs zijn belangrijke grondstoffen voor de productie van veevoer, uit koolzaad wordt olie gewonnen voor bijvoorbeeld de productie van biobrandstoffen. De belangrijkste producenten van genetisch gemodificeerde landbouwproducten zijn Amerika (64 miljoen hectare), Brazilië (21.4 miljoen hectare) en Argentinië(21.3 miljoen hectare).
Uit de discussie hierboven blijkt hoe lastig het is om een afweging te maken tussen de voor- en nadelen van genetische modificatie. Op milieugebied lijkt biotechnologie vooral gevaren te bevatten, maar voor consument en maatschappij zijn er zeker ook positieve argumenten aan te dragen die pleiten voor verdere ontwikkeling van genetische modificatie.
Een complicerend element in deze discussie, dat tot nu toe buiten behandeling is gebleven, is het ethische of religieuze aspect van de vraag. Is het acceptabel om op dergelijk ingrijpende wijze de natuur naar je hand te zetten? Vast staat dat we momenteel nog erg weinig weten van de gevolgen die genetisch gemodificeerde gewassen op de lange termijn kunnen brengen. Terughoudendheid bij de grootschalige marktintroductie van genetisch gemodificeerde gewassen lijkt daarom vooralsnog op zijn plaats.
De publieke belangstelling voor genetische modificatie in Nederland lijkt overigens relatief gering. Jan Terlouw, die voorzitter was van de Commissie Biotechnologie en Voedsel, concludeerde in januari 2002 dat Nederlanders slechts in beperkte mate geïnteresseerd zijn in het principiële debat omtrent de wenselijkheid van genetische modificatie.