Externe veiligheid

Aantal waarschuwingstekens over gevaarlijke stoffen en werkomgeving

En van de kerntaken van de Nederlandse overheid is het garanderen van de veiligheid van burgers op Nederlands grondgebied. Deze veiligheid kan op meerdere manieren worden bedreigd. Bijvoorbeeld door criminaliteit. Maar ook de productie, opslag en het vervoer van milieugevaarlijke stoffen kunnen zorgen voor bedreigende situaties. Men spreekt in dit verband van het handhaven van de 'externe veiligheid'.

De laatste jaren is veiligheid een belangrijk thema geworden voor media en politiek. De vuurwerkramp in Enschede, die 23 mensen het leven kostte, en de grote brand in chemisch bedrijf Chemie-Pack hebben een grote maatschappelijke discussie op gang gebracht, waarbij kritisch is gekeken naar de risico's van gevaarlijke stoffen. Niet alleen in woonwijken, maar ook op autowegen of vliegvelden moeten de risico's op grote ongelukken met gevaarlijke stoffen tot een minimum worden beperkt. Meer recentelijk hebben de aardbeving en tsunami in Japan, met ernstige schade aan een kerncentrale als gevolg, gezorgd voor meer aandacht voor de veiligheid van kerncentrales. 

1.

Oorzaken

In onze maatschappij wordt veel gebruik gemaakt van gevaarlijke (giftige of explosieve) stoffen. Zo kopen veel mensen chloorhoudende schoonmaakmiddelen, en vullen veel mensen hun auto met LPG. Het massale gebruik van deze stoffen leidt tot grootschalige opslag en vervoer. In mei 2000 werd Nederland hardhandig geconfronteerd met de risico's van gevaarlijke stoffen, toen een vuurwerkopslag in een Enschedese woonwijk explodeerde en veel slachtoffers maakte.

Het was duidelijk dat een ramp van een dergelijke omvang geen tweede keer plaats mocht vinden. Het voeren van een goed veiligheidsbeleid is echter moeilijk, omdat het onmogelijk is de risico's tot nul te reduceren. Het gebruik van giftige of explosieve stoffen brengt nu eenmaal altijd bepaalde risico's met zich mee. Vaak is het bovendien niet altijd even duidelijk welke schadelijke effecten een bepaalde stof kan hebben.

Bedrijven en organisaties die veel met gevaarlijke stoffen werken, zijn een voor de hand liggende risicobron. Een schrikbeeld is bijvoorbeeld de grote ontploffing bij de bestrijdingsmiddelenfabriek in het Italiaanse stadje Seveso in 1976. Daarbij kwamen grote hoeveelheden dioxinen vrij, waardoor duizenden mensen gezondheidsklachten kregen. De gevolgen zijn merkbaar tot de dag van vandaag. Om dergelijke ongelukken te voorkomen, moeten Europese bedrijven voldoen aan de zogenaamde 'Seveso' II-richtlijn.

2.

Uitstoot van schadelijke stoffen na branden en rampen

In Nederland vinden jaarlijks tien tot twintig branden of rampen plaats waarbij relatief veel schadelijke stoffen vrijkomen. Het potentile gevaar wordt in eerste instantie gemeten door de brandweer, die bekijkt of er in het gebied acute risico's voor de bevolking zijn. Maar ook in de dagen en weken erna kunnen schadelijke stoffen in de omgeving verspreid worden, wat gevolgen kan hebben op de langere termijn. Dit wordt in kaart gebracht door de Milieu Ongevallen Dienst (MOD) van het RIVM, in samenwerking met de ministeries van Infrastructuur en Milieu en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Na 15 jaar onderzoek bracht het MOD in december 2002 een rapport uit met algemene conclusies over de uitstoot van gevaarlijke stoffen na een brand of ramp. Vrijwel altijd trof het MOD binnen een afstand van enkele honderden meters verhoogde tot sterk verhoogde concentraties aan van koolmonoxide (CO), vluchtige organische componenten (VOC's) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's). Ook dioxinen en zware metalen zoals lood komen vaak vrij. De hoogste concentraties kwamen vrij bij branden met grote hoeveelheden koolwaterstoffen, zoals een opslagloods met kunststoffen, een verffabriek, of een depot waarin chemisch afval was opgeslagen (verven, lijmen, oplosmiddelen en olieresten).

Enkele resultaten van de metingen van stofvormige componenten bij een aantal branden. De getallen geven de verhoging aan van concentraties ten opzichte van de normale situatie (10 betekent dus: 10 keer zo veel als normaal). In de laatste kolom staan zware metalen die in verhoogde mate zijn aangetroffen.

 

Locatie

Fijn stof

PAK's

Dioxinen

Elementen

Heerhugowaard (meubelfabriek)

10 tot 40

60 tot 130

500 tot 1.500

Antimoon en lood

Aalsmeer (verffabriek)

30    

350   

-        

Lood, zink en barium

Drachten (chemisch afvaldepot)

150   

< 10   

50.000     

Lood, zink, barium, koper, cadmium en tin

Enschede (vuurwerkopslagplaats en woonwijk)

30    

< 5    

-        

Lood, zink, barium, koper, cadmium, strontium en titanium

Moerdijk (houtafval)

20    

10    

-        

Arseen, lood, zink en cadmium

's Heerenberg (kunststoffenopslag)

-     

800   

50.000     

Lood, zink, nikkel, cadmium en tin

Slagharen (de Bonte Wever)

15    

65    

4.500      

Lood, zink en koper

3.

Het Nederlandse beleid voor externe veiligheid

De Nederlandse overheid probeert de risico's voor omwonenden van fabrieken, opslagloodsen en transportroutes binnen redelijkheid te beperken. Hiertoe streeft de overheid ernaar om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van risicovolle activiteiten die zich in Nederland afspelen. Bedrijven die omgaan met gevaarlijke stoffen worden verplicht elk jaar een extern veiligheidsrapport (EVR) in te leveren. Aan de hand daarvan wordt beoordeeld hoe groot de risico's zijn voor de omgeving (bijvoorbeeld voor de huizen rondom een fabriek of tankstation). Het Centrum voor Externe Veiligheid (CEV), wat in januari 2002 bij het RIVM werd opgericht, adviseert de overheid over de risicobepaling.

Bij het beoordelen van gevaarlijke locaties gaat het Rijk uit van de norm dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof voor omwonenden niet hoger mag zijn dan 1 op de miljoen. Daarnaast wordt berekend hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen (het groepsrisico). Dit is een maatstaaf voor de verwachte omvang van een ramp.

Om risico's zo veel mogelijk te vermijden moeten bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen voldoen aan strenge normen. Onder andere chemische fabrieken en lpg-tankstations mogen zich niet overal vestigen (bijvoorbeeld niet in een woonwijk of dicht bij een ziekenhuis). Ook gelden er voorschriften over hoe gevaarlijke stoffen moeten worden behandeld en opgeslagen. In het Besluit Omgevingsrecht staat of een bedrijf een vergunning moet aanvragen en aan welke regels het moet voldoen. Als een vergunning is goedgekeurd, is de verantwoordelijke overheid (gemeente, provincie of Rijk) verplicht om alle relevante gegevens over risico's te registreren en openbaar te maken. Bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen moeten voldoen aan het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (BRZO'99). Hierin staat wat een bedrijf moet doen om risico's zo klein mogelijk te maken. Dit besluit is de Nederlandse implementatie van de Europese Seveso II-richtlijn voor risicobedrijven.

4.

Maatregelen

Risicovolle bedrijven

Om veiligheidsrisico's te beperken worden er veel verschillende maatregelen genomen. n van deze maatregelen is bijvoorbeeld dat de overheid heeft besloten om vanaf 2012 beter toezicht te gaan houden op gevaarlijke bedrijven. Naar aanleiding van de brand bij Chemie- Pack (Moerdijk) in 2011 waarbij gevaarlijke stoffen vrijkwamen, werden alle bedrijven die met gevaarlijke stoffen te maken hebben gecontroleerd. Hieruit bleek dat er nog 12 risicovolle bedrijven zijn. Deze bedrijven zullen extra gecontroleerd worden. Bedrijven die wel goed presteren krijgen minder controles.

Ook moeten installaties waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, veiliger worden. Volgens de arbeidinspectie zijn hier een aantal maatregelen voor nodig:

  • meer en betere automatische waarschuwingssystemen die problemen al vroegtijdig ontdekken
  • meer reguliere onderhoudsbeurten
  • risico's vooraf beter onderzoeken
  • meer aandacht voor veiligheidsinstallaties en het onderhoud ervan
  • eerdere incidenten in het eigen bedrijf beter onderzoeken en er lering uit trekken

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Het vervoer van gevaarlijke stoffen is ook een belangrijk onderwerp binnen het externe veiligheidsbeleid. Het beleid hierover is in Nederland echter vooral gebaseerd op internationale afspraken. De Verenigde Naties stellen namelijk op mondiaal niveau vast wat gevaarlijke stoffen zijn en hoe ze verpakt, opgeslagen en vervoerd moeten worden. Deze internationale voorschriften zijn vastgelegd in verschillende Nederlandse wetten en besluiten, zoals de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Op dit moment werken de Rijksoverheid, gemeenten, provincies en het bedrijfsleven aan het Basisnet. Hierin worden afspraken gemaakt over de routes waarover gevaarlijke stoffen vervoerd mogen worden. Het Basisnet stelt dus grenzen aan het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorlijnen. De gemeenten houden hier rekening mee met hun bouwplannen, want rond om de wegen die wel gebruikt mogen worden voor het vervoer van risicovolle stoffen, bevinden zich zogenaamde veiligheidszones. In deze zones mag niet of slechts beperkt gebouwd worden. Het Basisnet wordt naar verwachting eind 2012 wettelijk vastgelegd.

Graafschade

Ook bij graafwerkzaamheden bestaat er kans dat er gevaarlijke stoffen vrijkomen. Jaarlijks ontstaat bij ongeveer 20 procent van alle graafwerkzaamheden schade aan kabels en leidingen. In sommige gevallen ontstaat er hierdoor bijvoorbeeld een gaslek, dat is gevaarlijk voor de omgeving. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) moet het aantal schades bij graafwerkzaamheden (en dus ook de schade waarbij gevaarlijke stoffen vrij komen) terug dringen door:

  • betere informatie-uitwisseling
  • betere tekeningen
  • zorgvuldiger graven en zorgvuldiger opdrachtgeverschap

Crises en nationale veiligheid

De overheid neemt ook maatregelen om ervoor te zorgen dat gemeenten goed voorbereid zijn op eventuele rampen waarbij schadelijke stoffen kunnen vrijkomen. Gemeenten zijn wettelijk verplicht een actueel rampenplan vast te stellen, waarin onder andere bepalingen staan over de evacuatie van de bevolking, de geneeskundige organisatie op het rampterrein, de opvang van slachtoffers, de voedselvoorziening en bevoorrading en het beperken van schadelijke gevolgen. Het ministerie van Binnenlandse Zaken controleert of de rampenplannen voldoende actueel zijn.

5.

Europa

Naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede in 2000 heeft de Europese Commissie de Richtlijn Zware Ongevallen (Seveso II) aangescherpt. Dit gebeurde in oktober 2002.

Europa draagt ook bij aan de externe veiligheid door de 143 in Europa aanwezige kerncentrales te onderwerpen aan stresstests. Uit deze tests moet blijken of de kerncentrales bestand zijn tegen eventuele rampen. Er werd overgegaan op deze stresstests nadat een aardbeving en tsunami in Japan een kerncentrale ernstig beschadigde. Daarbij kwam radioactieve straling vrij.

6.

Meer weten

Of neem contact op met

 
  • Contact
  • Home