Afvalverwerking

In een klein, maar welvarend land als Nederland is afval een groot probleem. De hoeveelheid afval afkomstig van huishoudens, de industrie en de bouw neemt met de stijging van de welvaart en het bevolkingsaantal alleen maar toe.

Hoe verantwoord het verwerken van afval ook gebeurt, het brengt altijd een belasting van het milieu met zich mee. De verwerking van afval kost energie en het afval komt altijd voor een deel in de lucht, het water of de grond terecht. Daardoor is het voorkomen van afval het belangrijkst, daarna pas het stimuleren van een verantwoorde verwerking ervan, bijvoorbeeld hergebruik.

Wanneer de grond sterk verontreinigd is met bepaalde afvalstoffen moet deze gesaneerd worden. Voor bodemsanering is een apart beleid ontwikkeld.

Inhoud

1.

Oorzaken

Waar komt al dat afval vandaan?

Nederlanders consumeren steeds meer, zo is over de afgelopen 20 jaar consumptie met wel veertig procent gestegen. Tijdens de productie van consumptie-artikelen ontstaat er industrieel afval. Eenmaal bij de consument aangekomen worden veel artikelen (en hun verpakking) na verloop van tijd weggegooid. Zo ontstaat er huishoudelijk afval. In 2004 werd bij de Nederlandse huishoudens 9,1 miljoen ton afval opgehaald; dat is 561 kilo per inwoner. Dan is er bijvoorbeeld nog de bouw, die voor sloopafval zorgt. In 2000 werd in Nederland bijna 59 miljard kilo afval aangeboden. Dit was voor 34 procent van de industrie afkomstig, voor 15 procent van de huishoudens en voor 32 procent van de bouw. De landbouw wordt hier niet genoemd omdat mest apart van regulier afval wordt behandeld.

Er is steeds meer afval

Tussen 1990 en 1994 is de hoeveelheid afval min of meer gelijk gebleven. Vanaf 1994 is er sprake van een forse groei geweest, met name als gevolg van de sterk toegenomen hoeveelheid huishoudelijk afval en bouw- en sloopafval. Opvallend is dat de hoeveelheid industrieel afval ten opzichte van 1990 nauwelijks is toegenomen. Dit komt deels door verbeterde hergebruiktechnieken, die buiten de gebruikelijke afvalverwerkers om plaatsvinden, maar ook deels doordat steeds meer producten die wij consumeren afkomstig zijn van industrieën in andere landen.

Waar gaat al dat afval heen?

In 2000 werd ongeveer 77 procent van het afval gerecycled, 12 procent verbrand, 9 procent gestort (op land) en 2 procent geloosd (in water).

2.

Gevolgen

De verschillende verwerkingsmethodes op een rijtje

Storten en lozen zijn het schadelijkst voor het milieu. Stoffen komen direct in de grond en het water terecht, maar ook in de lucht, want rottingsprocessen in stortplaatsen zorgen onder ander voor de uitstoot van methaan. Verbranding zorgt ook voor vervuiling. Maar strenge milieuregels over wat voor stoffen er in producten mogen zitten en wat voor filters verbrandingsinstallaties hebben, maken verbranden steeds minder schadelijk. Ook kan duurzame energie opgewekt worden bij het verbranden van afval.

Hergebruik is het beste voor het milieu maar nog steeds minder goed dan geen afval. Het herbruikbaar maken van materialen kost namelijk energie en het schoonmaken vervuilt water. Bij het recyclen van glas is er een milieuwinst van 25 procent op de energie die de productie van nieuw glas kost. Het is dus heel goed om glas in de glasbak te gooien. Net zo belangrijk is het om te bedenken dat een product hergebruiken niet hetzelfde is als het niet gebruiken.

De bijdrage aan milieuproblemen

Door de emissie van methaan en koolstofdioxide leveren de afvalverwijderingsbedrijven een bijdrage aan het broeikaseffect. De meeste stoffen die een effect hebben op de ozonlaag worden nu verantwoord verwerkt, dus hier hebben afvalverwijderingsbedrijven steeds minder invloed op.

Als er schadelijke stoffen in het afval zitten kunnen deze door de verwerking van het afval verspreid worden en omliggende ecosystemen vergiftigen. Vooral in het verleden is de verwerking soms weinig zorgvuldig geweest, waardoor we nu met een erfenis zitten van vervuilde grond, water en lucht. Daarnaast draagt afval behoorlijk bij aan stank.

3.

Maatregelen

Het afvalbeleid is erop gericht prioriteit te geven aan bepaalde verwerkingswijzen. Deze verwerkingswijzen zijn gerangschikt in de 'Ladder van Lansink' (naar de politicus Ad Lansink, die hiervoor in 1979 een motie indiende). De volgorde is als volgt:

  • 1. 
    preventie van afval (hoogste prioriteit)
  • 2. 
    zo hoogwaardig mogelijk hergebruik
  • 3. 
    verbranden van (brandbaar) afval, bij voorkeur met energiebenutting
  • 4. 
    storten en lozen (de minst gewenste oplossing)

De overheid heeft verschillende maatregelen aangewend om zo veel mogelijk afval de Ladder van Lansink te laten "beklimmen".

Subsidies en fiscale regelingen

Subsidies maken milieuvriendelijk gedrag economisch gezien aantrekkelijker. Een voorbeeld is de subsidieregeling aanpak milieudrukvermindering (SAM) die aan gemeentes verstrekt wordt om de scheiding van het huishoudelijk afval te bevorderen. Voor bedrijven zijn er fiscale regelingen, in de VAMIL en de MIA (Milieu Investeringsaftrek) zijn aantrekkelijke regelingen opgenomen voor het investeren in afvalreductie- en hergebruiktechnieken.

Regels en heffingen

Ook worden er heffingen en boetes geheven over het storten en lozen van afval, en bestaan er stortverboden. In sommige gemeentes betaalt de consument zelfs voor het gewicht van het huishoudelijk afval dat ze buiten zetten. Daarnaast zijn er strenge regels over het sorteren van schadelijke stoffen uit het afval en het gebruik van goede filters bij het verbranden van afval.

Verwijderingsbijdragen

Bij de aankoop van nieuwe elektrische huishoudelijke apparatuur betaalt de klant sinds januari 1999 een verwijderingsbijdrage. Winkeliers zijn daardoor verplicht om oude apparatuur in te nemen als er een soortgelijk nieuw apparaat wordt aangeschaft. Gemeentes moeten apparaten ook zonder de aanschaf van een nieuw exemplaar innemen. Ondertussen zijn verwijderingsbijdragen voor personenauto's en batterijen gedaald. In 1995 bedroeg de verwijderingsbijdrage bij aanschaf van een nieuwe personenauto nog circa 113 euro, inmiddels is dit gedaald tot circa 45 euro.

4.

Ontwikkelingen

De verschillende verwerkingsmethodes

In 1990 werd er in Nederland nog 14 miljard kilo afval gestort, in 2000 was dat nog maar 5 miljard kilo. De doelstelling was dat er in 2000 nog maar 4 miljard kilo zou worden gestort, die doelstelling is dus met 25 procent overschreden. In plaats van storten wordt afval nu meer ingezet voor hergebruik en verbranding. Het doel was dat in 2000 80 procent van het afval hergebruikt zou worden, in 1985 werd 50 procent van het afval hergebruikt. Het is gelukt om 77 procent (45,3 miljard kilo) voor hergebruik in te zetten, niet 80 procent. Er werd in 2000 7,7 miljard kilo afval verband, vergeleken met 3,9 miljard kilo in 1990.

Kosten

Steeds meer afval wordt gescheiden opgehaald. Dit is duur. Ook door de strenge regels over emissies vanuit het afval naar de bodem, het water en de lucht zijn de kosten van storten en verbranden meer dan verdubbeld in de afgelopen 20 jaar.

De toekomst

Onder verantwoordelijkheid van het ministerie van VROM treedt in 2002 het Landelijk Afvalbeheersplan (LAP) in werking. Hierin formuleert VROM het overheidsbeleid voor de komende jaren. Storten zal moeilijker worden gemaakt, door de stortbelasting stapsgewijs te verhogen. Verder zal meer nadruk gelegd worden op de opwekking van energie voor het elektriciteitsnet, als afval verbrand wordt. Daarnaast wordt aan de preventie van afval nog steeds hoge prioriteit gegeven.

Het is denkbaar dat op den duur Nederlands afval buiten de landsgrenzen wordt verwerkt. Voor hergebruik gelden nu al bijna geen beperkingen bij de in- en uitvoer van afvalstoffen. Bij verbranding zouden andere landen eerst dezelfde strenge regels die Nederland op installaties toepast, moeten overnemen. En het storten van afval zal altijd binnen de landsgrenzen blijven gebeuren.

5.

Europa

Een groot gedeelte van de nationale afvalwetgeving is afgestemd op Europese richtlijnen. In de Europese Unie gelden minimumnormen voor de kwaliteit van afvalverwerkingsinstallaties, het omgaan met gevaarlijk (chemisch) afval, de verwerking, het transport en het storten van afval. Ook vuilnisbelten moeten voldoen aan Europese milieurichtlijnen. Als lidstaten niet voldoen aan de Europese regelgeving, kan de Europese Commissie procedures aanspannen bij het Europese Hof van Justitie. Zo kreeg Griekenland in 2000 een boete, omdat een illegale chemische afvalberg in Kreta niet werd opgeruimd.

Schadelijke stoffen

Het beleid rond het vervoer en de verwerking van gevaarlijke stoffen wordt nu volledig in Brussel bepaald. De Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen bepaalt of een stof als afval gekenmerkt kan worden. De Europese Verordening op de Overbrenging van Afvalstoffen (EVOA) regelt het afvaltransport en de afvalverwijdering tussen de grenzen.

Een belangrijke Europese richtlijn, die in 2002 van kracht is geworden, betreft de Europese afvalstoffenlijst (Eural). In deze lijst wordt bepaald wanneer een afvalstof gevaarlijk is. De lijst met ongeveer 800 afvalstoffen vervangt het (Nederlandse) Besluit Aanwijzing Gevaarlijke Afvalstoffen (BAGA). Met de Europese richtlijn maakt Brussel nu een systematisch onderscheid tussen gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen binnen de hele Europese Unie.

 
Illustratie afvalproductie en wijze van verwerking

Bron: SenterNovem, CBS

6.

Meer weten

Internetsites

Of neem contact op met

 

Inhoud

  • Contact
  • Home