Milieuloket:
Klimaatconferenties
Submenu:
Nieuws-items bij Klimaatconferenties
-
18-02Voorzitter Barroso schrijft brief aan staatshofden over maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan (en)
-
03-02Strijd om te komen tot een eenduidige Europese klimaatstrategie na Kopenhagen (en)
-
28-01EU blijft bij klimaatdoel van 30 procent (en)
-
21-01VN stelt deadline voor inlevering reductiedoelstellingen Kopenhagen akkoord uit (en)
-
29-12-2009EU-voorzitter Zweden kijkt tevreden terug op roerig half jaar (en)
-
20-12-2009NGO's betitelen resultaat Kopenhagen als teleurstellend en beschamend (en)
-
16-12-2009Zweeds voorzitterschap spreekt namens Europese Unie zorg uit over het verband tussen armoede en klimaatverandering (en)
-
04-12-2009Nederland voldoende voorbereid op risico's extreme zeespiegelstijging
-
02-12-2009Kopenhagen klimaatconferentie (7-18 dec): doelstellingen van de EU (en)
-
27-11-2009Ook China stelt duidelijk klimaatdoel vast
Klimaatconferenties - Hoofdinhoud
Gedurende de jaren '90 werden politici wereldwijd steeds meer doordrongen van het feit dat klimaatverandering ernstige gevolgen kan hebben voor mens en milieu, en dat de uitstoot van broeikasgassen door menselijke activiteiten hier een rol in speelt. Een rapport van de Verenigde Naties uit 2002, dat door een grote hoeveelheid wetenschappers is onderschreven, bevestigde deze vermoedens.
Een agentschap van de Verenigde Naties, de UNFCCC, coördineert het internationale klimaatbeleid door elk jaar een "Conference of Parties" (COP) te organiseren. Tijdens deze conferenties vergaderen ministers en hoge ambtenaren uit vrijwel alle landen ter wereld over de laatste bevindingen van de wetenschap, en over de wijze waarop broeikasgassen moeten worden teruggedrongen.
Toonaangevende COP's waren onder andere de Conferentie van Kyoto (1997) en de Conferentie van Den Haag (2000) onder leiding van milieuminister Jan Pronk. Het klimaatverdrag van Kyoto is op 16 februari 2005 in werking getreden. Eén van de afspraken uit het protocol is dat de landen de uitstoot van broeikasgassen in 2010 met gemiddeld vijf procent verminderd moeten hebben ten opzichte van 1990. Hieronder volgt een overzicht van de meest toonaangevende COP's.

De Russische posterijen hebben een speciale postzegel uitgebracht voor de klimaatconferentie van september 2003. De kleuren op de wereldkaart geven de verwachte wereldwijde temperaturen over veertig jaar.
Inhoudsopgave van deze pagina:
Gedurende de jaren '90 nam wereldwijd het besef toe dat de versterking van klimaatverandering door menselijk handelen een probleem was waar wat aan gedaan moest worden. In 1992 leidden internationale onderhandelingen tot het klimaatverdrag van Rio de Janeiro. In dit verdrag werd geprobeerd een balans te vinden tussen de milieubelangen en maatregelen die economisch haalbaar waren.
Ecosystemen moesten beschermd worden tegen al te sterke klimaatschommelingen, maar de voedselvoorziening moest wel gewaarborgd blijven en ook moest de economie de kans krijgen zich op duurzame wijze te ontwikkelen. Om dit te realiseren werd afgesproken dat belangrijke industrielanden de uitstoot van CO2 drastisch omlaag zouden moeten brengen.
Onderhandelingen in de jaren '90 over het terugbrengen van broeikasversterkende gassen leidden in 1997 tot een protocol op de VN-klimaatconferentie van Kyoto. Het Protocol van Kyoto zou pas in werking treden als 55 landen, die bij elkaar ten minste 55 procent van de mondiale uitstoot CO2 voor hun rekening nemen, het verdrag hadden ondertekend. Aan deze voorwaarde is inmiddels voldaan. De Europese Unie, de EU-lidstaten, Canada en Japan tekenden in 2002, Rusland volgde in november 2004 en het verdrag treed als gevolg op 16 februari 2005 in werking.
In de Kyoto-overeenkomst is een verplichtingperiode van 5 jaar opgenomen van 2008 tot 2012. In deze periode moeten alle geïndustrialiseerde landen gezamenlijk met de uitstoot van broeikasgassen ten minste 5 procent onder het niveau van het jaar 1990 komen. Nederland is verplicht de CO2-uitstoot in 2010 met 6 procent te reduceren ten opzichte van de niveaus van 1990, de Europese Unie als geheel moet 8 procent verminderen.
Het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen is in sommige landen gemakkelijker te bereiken dan in andere. Zo is de zware industrie in Nederland al behoorlijk schoner dan zware industrie in Oost-Europa. Om de schone Nederlandse fabrieken nóg schoner te maken, kost veel meer dan het verbeteren van relatief vuile fabrieken zoals bijvoorbeeld in Oost-Europa en de derde wereld. Ook het schoner maken van het verkeer, of het invoeren van duurzame energieprojecten is in Nederland (en West-Europa) vaak duurder dan elders. Maar aangezien klimaatverandering een wereldwijd probleem is, is het van belang dat zo veel mogelijk landen meedoen. Daar wordt in het Kyoto protocol in voorzien op de volgende drie manieren.
Clean Development Mechanism (CDM) (Artikel 12),
Met het CDM worden landen in de Derde wereld geholpen met het opzetten van onder meer duurzame-energieprojecten en duurzame bosbouw. De inspanningen kunnen Westerse landen verrekenen met de eigen binnenlandse verplichtingen voor broeikasreductie - wat aantrekkelijk is omdat het realiseren van broeikasgas-reducties in landen uit de Derde wereld vaak aanzienlijk goedkoper is dan in bijvoorbeeld Nederland.
De Nederlandse overheid financiert in het kader van CDM projecten waarmee schone energiebronnen worden ontwikkeld in Panama, Colombia, Costa Rica, Guatemala, El Salvador, en Uruguay. Voor deze inspanningen krijgt Nederland "Certified Emission Reductions" (CER's). Dit zijn certificaten waarmee Nederland ontslagen wordt van de verplichting om de uitstoot in Nederland zelf te verminderen.
Joint Implementation Projects (JI) (Artikel 16),
In het kader van JI financieren geïndustrialiseerde landen projecten in andere geïndustrialiseerde landen voor het realiseren van broeikasreducties.
In 2002 financierde het Nederlandse bedrijfsleven (met subsidies van het ministerie van Economische Zaken) JI-projecten in Bulgarije, Roemenië, Hongarije, Slowakije, Estland en Nieuw-Zeeland. De projecten zijn gericht op het verbeteren van de energie-efficiency van elektriciteitscentrales en stadsverwarmingsinstallaties, duurzame energie, afvalverwerking, biomassa en herbebossing.
Voor de gerealiseerde reducties krijgt Nederland "Emission Reduction Units" (ERU's). Net als de CDM-certificaten, zijn ook dit certificaten waarmee Nederland ontslagen wordt van de verplichting om de uitstoot in Nederland zelf te verminderen.
Emissiehandel (Artikel 17),
De emissiehandel is ontworpen als methode waarmee deelnemers aan het Kyoto-protocol tonnen CO2-equivalenten kunnen verhandelen in de vorm van "Assigned Amount Units" (AAU's) en "Removal Units" (RMU's). De emissiehandel wint aan complexiteit omdat deelnemers ook kunnen besluiten om de via Clean Development en/of Joint Implementation verkregen CER's en ERU's te verhandelen.
De weging en verhandeling van AAU's, RMU's, CER's en ERU's zijn elk gebonden aan regels en verdeelsleutels die zijn vastgesteld in Artikel 3 van het Kyoto-Protocol, en zijn aangescherpt tijdens de klimaatconferenties van Marrakech (november 2001) en Delhi (oktober 2002).
Hoewel de meesten zich bewust zijn van het belang van het terugdringen van broeikasgassen, maakten weinig landen haast met de ondertekening van het Kyoto Protocol. Van 1997 tot 2000 bleken slechts eilandstaten en enkele ontwikkelingslanden bereid om hun handtekening te zetten. Om de internationale afspraken 'hard' te maken, werd van 13 tot 24 november 2000 een klimaatconferentie in Den Haag gehouden, onder voorzitterschap van toenmalige milieuminister Jan Pronk. De volgende zaken werden in Den Haag besproken:
-
1.De instrumenten waarmee industrielanden een deel van hun doelstellingen in het buitenland kunnen realiseren. Voor rijke landen is het vaak goedkoper om minder rijke landen te helpen met de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, dan om zelf de reducties in eigen land te bewerkstelligen. Dit gebeurt via zogenaamde 'joint implementation' -projecten, zoals hierboven beschreven.
-
2.Het nalevingsregime. Er worden afspraken over CO2-reducties gemaakt, maar als de afgesproken doelstellingen niet gehaald worden, staan daar geen sancties tegenover.
-
3.Monitoring en rapportage. Er zijn verschillende meetmethodes waarmee de reductie van broeikasgassen gemeten wordt. Dit kan tot onenigheid leiden.
-
4.De rol van bomen en planten (de zogenaamde 'carbon sinks') . Grote bossen nemen veel CO2 op. Landen die deze bossen hebben vinden dat dit mee moet tellen bij de afspraken over reductie.
-
5.De steun aan ontwikkelingslanden. Landen in de Derde wereld zorgen in toenemende mate voor de uitstoot van broeikasgassen. Zij hebben echter geen geld om hier iets tegen te ondernemen. Via 'clean development mechanism' -projecten kunnen rijke landen projecten starten in ontwikkelingslanden om hun verplichtingen af te kopen.
De Klimaatconferentie in Den Haag heeft geen akkoord opgeleverd, omdat de belangen van de diverse deelnemers soms lijnrecht tegenover elkaar stonden. Rijke industrielanden schrokken terug voor de enorme kosten van het terugdringen van broeikasgassen. Ontwikkelingslanden wilden niet gebonden zijn aan afspraken waarmee zij de uitstoot van broeikasgassen zelf moesten betalen, omdat dit de groei van hun economieën zou schaden.
Om Kyoto te redden werd in juli 2001 in Bonn opnieuw onderhandeld over de vijf punten die in Den Haag op de agenda waren gezet. De Verenigde Staten haakten definitief af, omdat de zojuist gekozen president Bush vond dat klimaatmaatregelen de Amerikaanse economie te veel zouden schaden. Ook zette Bush vraagtekens bij de wetenschappelijke onderbouwing van de oorzaken van het broeikaseffect. Dit was een grote klap, omdat de VS verantwoordelijk waren voor de uitstoot van 36,1 procent van alle broeikasgassen wereldwijd. Bonn werd echter toch een succes, omdat alle overige landen besloten om wel door te gaan.
In Bonn verplichtten de deelnemende landen zich om de Kyoto-doelstellingen te halen. Eventueel doen zij dit door projecten in het buitenland te financieren waarmee de uitstoot van broeikasgassen wordt verminderd. Wanneer een lidstaat niet aan het protocol voldoet zal een straf opgelegd worden, in de vorm van een verdere verplichting tot reductie van CO2-uitstoot. Er worden echter geen boetes opgelegd en de sancties gelden pas vanaf 2008. Ook is het toegestaan CO2-uitstoot te compenseren met de aanplant van bossen.
In Bonn werd verder afgesproken dat het Protocol van Kyoto in werking zou treden als 55 landen, die bij elkaar ten minste 55 procent van de mondiale uitstoot CO2 voor hun rekening nemen, het verdrag ondertekend hadden.
Na de conferentie van Bonn besloten de landen van de Europese Unie gezamenlijk voorbereidingen te treffen voor het tekenen van het Protocol van Kyoto. De officiële goedkeuring door de EU vond plaats op 31 mei 2002. Japan tekende na veel aarzelingen op 4 juni 2002.
In Canada en Australië ontstond vanaf 2001 een polemische discussie over het protocol, omdat deze landen een machtige energiesector hadden die bang was voor productiebeperkingen. In Australië won de omvangrijke steenkolenindustrie het pleit, de Australische regering kondigde op 6 juni 2002 aan dat het land niet mee zou doen. De Canadese olie-industrie voerde in eigen land een verbeten campagne tegen Kyoto, maar de regering drukte door en ondertekende het protocol op 19 december 2002.
Na langdurige onderhandelingen bleek uiteindelijk ook Rusland bereid om het Protocol te ondertekenen, in november 2004. Australië keurde het protocol in 2007 alsnog goed.
Sinds de klimaatconferentie in Bonn zijn de onderhandelingen voortgezet in Marrakech (november 2001), New Delhi (november 2002), Milaan (december 2003). Omdat Rusland tijdens deze periode de ratificatie van het Protocol van Kyoto bleef uitstellen, konden relatief weinig concrete beleidsdoelstellingen worden overeengekomen.
In september 2003 vond een " informele" klimaattop in Moskou op initiatief van de Russische president Poetin. Officieel was deze klimaattop bedoeld om de laatste wetenschappelijke stand van zaken te bespreken, maar in de wandelgangen probeerden Russische onderhandelaars financiële concessies van de Europese Unie los te krijgen in ruil voor deelname aan het protocol. Uiteindelijk kwamen die concessies er. In ruil voor de toetreding van Rusland tot de Wereld Handelsorganisatie (WTO) tekende Rusland het Protocol in november 2004.
Europese Unie gaat door - eventueel alleen
De Europese Unie besloot in 2002 om hoe dan ook door te gaan met de afspraken in het Protocol van Kyoto. Vanaf 1 januari 2005 is in de hele Europese Unie een markt voor certificaten van broeikasgassen van start gegaan ( emissiehandel, artikel 17 van het Protocol van Kyoto). Het Protocol zelf is op 16 februari 2005 van kracht geworden.
Omdat het Protocol van Kyoto een looptijd heeft tot 2012, is de Europese Commissie bovendien begonnen met de voorbereidingen voor een klimaatbeleid na 2012. In september 2004 heeft de EU belanghebbenden uitgenodigd om hun visie te geven op de toekomst van het klimaatbeleid. Een internationale klimaatconferentie in Buenos Aires (6-17 december 2004) die door de Verenigde Naties was georganiseerd, leverde in dit verband geen aanknopingspunten. Ook de klimaatconferentie van Montreal (28 november - 9 december 2005) bracht wat dat betreft geen akkoord.
De onderhandelingen over toekomstige maatregelen werden verder gecompliceerd nadat Amerika, Australië, China en India in juli 2005 een rivaliserende klimaat-associatie hadden opgericht. Op de klimaatconferentie in Nairobi in 2006 werd verder gesproken over hulp van rijkere landen aan ontwikkelingslanden om klimaatverandering tegen te kunnen gaan. Op Bali in 2007 werd een routekaart opgesteld die zou moeten leiden tot concrete klimaatplannen. Voor het eerst lieten de V.S. duidelijk weten mee te zullen werken aan de routekaart.
In Poznan in 2008 werd de routekaart verder uitgewerkt. Bovendien werden afspraken gemaakt over een aanpassingsfonds waaruit vanaf 2009 projecten gefinancierd moeten worden waarmee ontwikkelingslanden zich kunnen aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering.
In december 2009 moeten er in Kopenhagen harde afspraken gemaakt worden over een nieuw internationaal verdrag als opvolger van het Kyoto protocol dat in 2012 afloopt. De belangrijkste hoofdlijnen van de aankomende conferentie in Kopenhagen zijn
-
1.Het stellen van ambitieuzere doelen. Veel landen hebben al doelen gesteld voor het terugdringen van hun CO2 uitstoot voor 2020. Volgens wetenschappers zijn deze doelen niet ambitieus genoeg om echt een verschil te maken. De conferentie moet dit bijstellen.
-
2.Het helpen van ontwikkelingslanden met hun aanpak van klimaatverandering. Veel ontwikkelingslanden willen graag bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering. Om dit te doen hebben ze steun nodig. De angst heerst dat meewerken aan het terugdringen van CO2 uitstoot ten koste zal gaan van hun economische ontwikkeling. De conferentie wil hen bijstaan door meer financiële en technologische steun te leveren en met nieuwe overheidsstructuren. De overheidsstructuren zullen ervoor zorgen dat het geld en middelen zo efficient mogelijk worden gebruikt.
Externe sites